Dunnevezelneuropathie

Behandelingen

Patiënten met dunnevezelneuropathie kunnen hiervan heel veel hinder ervaren in het dagelijks leven. Ze ervaren bijvoorbeeld pijn zonder dat er een pijnprikkel is of kunnen minder goed kou of warmte voelen. Ook automatische processen in het lichaam kunnen ontregeld zijn (bloeddruk, transpiratie, spijsvertering).

Omdat de oorzaken niet altijd bekend of behandelbaar zijn, vormt pijnbestrijding een belangrijk deel van de behandeling.  Een multidisciplinair team van neurologen, artsen van het pijnteam, revalidatieartsen en psychiaters bekijkt hier samen hoe elke patiënt het beste geholpen kan worden.

  • Psychiatrie bij dunnevezelneuropathie

    Vaak zien we dat dunnevezelneuropathie, evenals andere chronische pijnaandoeningen, gepaard gaat met depressieve en/of angstklachten (affectieve klachten). Het is niet bekend in hoeverre er een specifiek oorzakelijk (biologisch) verband bestaat. Het is wel algemeen bekend dat pijnklachten kunnen leiden tot affectieve problemen, en dat affectieve klachten op hun beurt de pijnervaring kunnen beïnvloeden, waardoor mensen met affectieve klachten meer pijn ervaren.

    Naast de impact die de pijnklachten zelf hebben, is bij dunnevezelneuropathie de pijn vaak niet volledig te verhelpen en is er onzekerheid over het verdere beloop. Voor sommige patiënten kan een consult bij de afdeling psychiatrie zinvol zijn. De psychiater of psychiatrisch verpleegkundig specialist zal zich hierbij richten op het leren omgaan met de pijn, de verminderde belastbaarheid hierbij en de daaruit volgende beperkingen.

  • Pijnrevalidatie bij dunnevezelneuropathie

    De pijn die patiënten met dunnevezelneuropathie ervaren is meestal niet alleen het gevolg van de dunnevezelneuropathie. Bij pijn is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de pijn zelf en de gevolgen van het hebben van langdurige pijn. Deze gevolgen kunnen de pijn vaak versterken en zijn vaak positief te beïnvloeden. Hierdoor kunnen pijnklachten verminderen en ook de hinder die mensen ervaren in het dagelijks functioneren kan afnemen.

    Sommige activiteiten worden vanwege de pijn niet meer uitgevoerd. Mensen weten vaak niet wat ze wel of niet mogen doen met pijn. Minder gaan bewegen betekent bijvoorbeeld vaak een verslechtering van de lichamelijke conditie en een toename van de pijngevoeligheid. Gedachten en gevoelens hebben ook invloed op de ernst van de pijn. Als patiënten door onzekerheid gaan piekeren over allerlei mogelijke negatieve gevolgen voor de toekomst zal dat de pijn erger maken.

  • Medicijnen bij dunnevezelneuropathie

    Er zijn drie groepen medicijnen die worden gebruikt voor de behandeling van de pijnklachten: antidepressiva (duloxetine, venlafaxine, amitriptyline, nortriptyline), anti-epileptica (gabapentine, pregabaline, carbamazepine) en opiaten (morfine-achtige medicijnen zoals oxycodon of tramadol). Bij lokale pijn kan tevens worden gekozen voor capsaïcine- of lidocaïnecrème.

    Helaas geven de meeste medicijnen slechts gedeeltelijke pijnverlichting en hebben ze vaak hinderlijke bijwerkingen, zoals duizeligheid of slaperigheid. Het is belangrijk dat een medicijn rustig wordt opgebouwd en gedurende enkele weken in een voldoende hoge dosering wordt gebruikt. Pas dan kan worden beoordeeld of een medicijn wel of niet werkt.

  • Folders DNA